Geschikte woningen

Een woning wordt als geschikt beschouwd, wanneer deze:
  • toe- en doorgakelijk is zonder trappen te hoeven lopen (hiertoe behoren benedenwoningen en flatwoningen met lift) én
  • wanneer binnen de woning de badkamer (met toilet) en de slaapkamer zich op dezelfde verdieping bevinden, terwijl beide voldoende ruim zijn om zich (eventueel met hulpmiddelen) doorheen te bewegen.
Indien woningen niet geschikt zijn, maar wel tegen overzienbare kosten geschikt te maken zijn, zijn  deze als 'gedeeltelijk geschikt' beschouwd.
Anders dan in de Geroscoop versie 2016, zijn de gedeeltelijk geschikte woningen hier buiten beschouwing gelaten. Deze zijn apart inzichtelijk gemaakt.


Technische informatie:  de BAG als bron

De geschiktheid van woningen voor ouderen is bepaald aan de hand van de Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG) uit 2018 en het recente adressenbestand (2018) daarvan. In de BAG onderscheidt men onder andere ‘verblijfseenheden met een woonfunctie’ (woningen) en ‘panden’ (woongebouwen). Bij gestapelde bouw omvat een pand (meestal) meer verblijfseenheden. 
In de BAG is informatie opgenomen over onder andere bouwjaren van woningen  en oppervlakten van woongebouwen en woningen. We hebben de volgende bewerkingen uitgevoerd.

  • Het aantal woonlagen van een woongebouw (‘pand’) is bepaald door de woonoppervlakte van alle verblijfseenheden tesamen te delen door de oppervlakte van het pand.
  • Het aantal woningen per pand is gebruikt als indicator voor de aanwezigheid van eengezinswoningen (één woning per pand staat voor een eengezinswoning).
  • De aanwezigheid van een lift is gebaseerd op het bouwjaar van de woning en het aantal woonlagen (zie de tabel hieronder).
  • De mate waarin een eengezinswoning geschikt gemaakt kan worden voor mensen met lichamelijke beperkingen is bepaald op basis van de criteria uit de Doorzonscan (zie het onderdeel 'definities').
  • Eengezinswoningen zijn niet alleen ‘gedeeltelijk geschikt’ wanneer zij voldoen aan de criteria van de Doorzonscan, maar ook wanneer zij een benedenverdieping hebben van minimaal 75 m2. Desgewenst kunnen dan slaapkamer en badruimte op de begane grond worden aangelegd. Door deze toevoegingen is het aantal gedeeltelijk geschikte woningen groter dan in de jaargang 2016.
  • Beneden- en bovenwoningen zijn twee tot vier verdiepingen hoog. Benedenwoningen zijn als 'geschikt' beschouwd.
  • In binnensteden zijn veel ‘eengezinswoningen’ in werkelijkheid etagewoningen. Daarom zijn eengezinswoningen die gebouwd zijn voor 1920, waar minder dan 10% een kind onder 15 jaar is, beschouwd als beneden- en bovenwoningen.
  • In jaargang 2018 van de Geroscoop zijn ‘ouderenwoningen’ onderscheiden. Dit zijn woningen die, ongeacht hun woonvorm, voor minimaal twee derde uit 65-plussers bestaan. Het aantal 65-plussers is bepaald per 6-positiepostcodegebied.


Kans op aanwezigheid van een lift in gestapelde bouw
Op basis van het WoonOnderzoek Nederland (2015) is vastgesteld in hoeverre woongebouwen over een lift beschikken, afhankelijk van het bouwjaar. Zoals verwacht komen liften vaak voor bij nieuwbouw vanaf 1989. Opmerkelijk is dat in het begin van de jaren '80 minder flats van een lift werden voorzien dan in de jaren zeventig.

Drie bouwlagen: Vier bouwlagen:
tot 1970 10% tot 1968: 21%
1970-1976 55% 1968-1979 83%
1977-1988 32% 1980-1988 52%
vanaf 1989 80% vanaf 1989 90%